
Je hoeft de Oranjemannen niet te vragen wat er beter moet bij het EK
Aanvallen in een moordend tempo, dat is de Oranjemannen op het lijf geschreven. Maar voor succes tijdens het EK in Zweden is een betere dekking noodzakelijk. “Dat is altijd al een beetje het probleem geweest”, stelt bondscoach Staffan Olsson.
Sinds de entree van Olsson in het najaar van 2022 weet de Zweed – voormalig wereldtopper – wat hem te doen staat als hij de eerste voetstappen zet op sportcentrum Papendal. Oranje heeft wereldwijd naam gemaakt met supersnel handbal. Dani Baijens, Luc Steins, Kay Smits, ze lopen stuk voor stuk harder dan de gemiddelde tegenstander.
Gevolg is alleen wel dat het andere aspect van handbal – goed verdedigen – er af en toe een beetje bij in schiet.
Nou zal Olsson de laatste zijn om het kroonjuweel van Oranje weg te nemen. “Maar het is lastig om de dekking, en de samenwerking met de doelman, te verbeteren. Helemaal nu we door blessures en andere oorzaken wat andere jongens in de selectie hebben. Het is al knap dat we ondanks de nodige afwezigen het EK toch nog hebben gehaald.”
Het laatste WK in Varazdin, een jaar geleden, heeft duidelijk gemaakt wat er aan mankeert op de bepalende momenten. In vijf van de zes wedstrijden kreeg Nederland meer dan dertig doelpunten te verwerken, alleen Guinea slaagde daar niet in. En Steins en co. waren niet in staat om in ieder duel meer dan 35 treffers te maken. Want er zijn ook grenzen aan de aanvallende creativiteit.
Nieuwe namen
Daar komt in Malmö bij dat nieuwe mannen zijn opgestaan. Geen Robin Schoenmaker meer in het hart van de dekking, of Samir Benghanem. Maar wel Reinier Taboada en Tom Jansen, die ook in de opbouw kunnen spelen. Taboada, speler van Benfica, weet wat er van hem verwacht wordt in de verdediging. “In de dekking moet je energie uitstralen en goed communiceren. Het is voor mij niet gebruikelijk om daar te spelen, maar het past mij wel.”
Ondanks zijn jonge leeftijd is Lars Kooij (25) de meest ervaren verdediger in de spelersgroep. Na een jaar bij Vardar Skopje in Noord-Macedonië is de cirkelspeler blij dat hij dit seizoen bij Bergischer HC in de droomcompetitie – de Bundesliga – kan spelen. En Solingen, Wuppertal en Düsseldorf is toch wat dichter bij Amstelveen, ook prettig.
In een bescheiden team krijgt Kooij veel speeltijd. Hij staat er zelf van te kijken dat Bergischer HC ondanks een blessuregolf op weg is naar handhaving – de grote doelstelling – en knap de Final4 van het bekertoernooi heeft gehaald.
De dekking bij Oranje wordt in de ogen van Kooij vooral sterker als er met lef wordt gespeeld. “Je moet durven uit te stappen, niet blijven staan. Als de keeper dan ook nog twee of drie extra ballen pakt, kom je verder.”
Kooij heeft door de verzamelde ervaring van de laatste jaren het gevoel dat hij het spelletje steeds beter gaat lezen. Ook omdat hij de tegenstanders goed heeft leren kennen. “En als de kennis toeneemt, hoef je minder te doen.”
Vloeiend Nederlands
De communicatie tussen dekking en doelman is ook een factor die aandacht verdient. Matthias Dorgelo praat anderhalf jaar na zijn entree zo vloeiend Nederlands dat het de goalie van Sønderjyske nauwelijks is aan te horen dat hij vooral in Denemarken en Noorwegen is opgegroeid.
Dorgelo heeft afgelopen zomer zijn plaats op het tweede plan bij GOG ingeruild voor een dragende rol in Sønderborg. “Er is veel vertrouwen in mij, daardoor heb je rust in je hoofd en kan je af en toe wedstrijden winnen voor de ploeg. En door alle minuten die ik speel heb ik nu het idee dat ik best aardig kan keepen”, zegt hij met een grijns.
Met de komst van nieuwe spelers in het team weet Dorgelo wat er moet gebeuren om verder te groeien. “Veel praten, dat is altijd goed.”
Tekst: Herman Nijman
Foto: FotoReza



